Hier zit ik weer 
Alleen op de bank
Drieënveertig jaar en rottend in de stank voor dank

Ik heb geen stuiver niet meer 
Mijn harses doen weer barstens zeer
Mijn laatste geld ging weer op aan de drank

De pieken zijn weer gedaald 
Het bleek weer koper geen goud
De brand in hel - het voelt zo vertrouwd

Het kaartenhuis is weer ingestort 
Schoppen aas ligt op mijn borst
Help me dan voor ik verander in stof

Toost me dan, troost me dan voor niets
Toost me dan, troost me dan voor niets
en lieg dat je me graag ziet

Zo zijn de dagen kort, de nachten lang. Ik zit hier maar en ik wacht te lang. Waar ik vandaag de dag weer hang, is niet van belang. Het leven komt met gevoel, gevoel komt met de drank. Dus ik kom van mijn bank, en ik fiets naar de stad en word weer zat, want ik was toch al op gang. En dan zeggen mensen snel: Je bent alcoholist. Maar nee, dit is mijn levensstijl. Ik ben niet verslaafd, maar zuip het dagelijks wel. Gedachtes ratelen in mijn kop, die kratten op de plaats stapelen maar op. Echt waar, waar slaat het op. Soms loop ik zo zat door de stad rond, gedraag me lomp. Wachten tot de klap komt, met mijn grote mond. Ik weet ook vaak, niet hoe de avond begon. Op het einde naar de shoarmatent voor een kapsalon. Vette hap en toch gezond. Vol goede moed loop ik naar huis, alleen. Kom ik weer thuis, alleen. Want door dit zuipen blijf ik juist alleen.

Weer een andere dag verpand voor de nacht,
met het schuim tot aan de strot ga ik kapot

Alles wat ik had verwacht is ontzenuwd ontkracht
Deel mijn lakens uit en houd voor mij de wacht

Het is een vorm van dood, een hoop roestend schroot
stap voor stap met schoenen van lood

Ach, tap me dan nog maar een sprankje hoop
Tap me dan nog maar een sprankje hoop