Met de Duivel op mijn hielen

Aangeslagen door de straten de huizen bewegen en de mensen stil
De waas verblindt wie ik wou zijn en de geur van angst die laat me kil
De hoop ligt afgemat in mijn schoenen, verlamd, verdoofd, in afgesleten leer
Wn ik brul en spuug op gebalde vuisten , mijn gedachtes en de lucht zien weer zwart als teer

Ik sla mijn pikkel in de kieren, de verloren berg beklim ik alleen
Ik drink het stof en eet fossielen die eeuwenoud en versteend
Lagen te wachten op messias op de heilige speer maar tevergeefs
De rivier stroomt nooit meer hetzelfde en de jaargetijden weten het ook niet meer

Met de Duivel op mijn hielen, mijn kuiten bloedend en mijn tanden bloot
Tergend de dolende zielen, de top van mijn puinhoop is duizelingwekkend hoog

Toch omarm ik jou mijn liefste, het is toch nu of nooit te laat
En Ik kan me niet beheersen, ik ben de opper-onverlaat
Zal ik scherend over aarde, of badend in het vuur
Je naam van daken schreeuwen of verzwijgen tot in mijn laatste uur

Met de Duivel op mijn hielen, mijn kuiten bloedend en mijn tanden bloot
Tergend de dolende zielen, de top van mijn puinhoop is duizelingwekkend hoog.


Meisje van op de boot

Meisje van op de boot, ze spookt weer door mijn hoofd
Als een engeltje zo mooi, haar lach maakt dat ik bloos
De sproeten op haar wangen en de manier waarop ze loopt
Doen mij zo verlangen, naar een tijd die nooit meer
komt

Meisje van op de boot, de jaren tussen ons
Als tralies die ons scheiden, met de sleutel overboord
Had ik jou kunnen helpen, toen jij dat nodig had
Dan was ik aan komen rennen, om je te helpen met die last

Meisje van op de boot, zo ongenaakbaar mooi
Het licht in jouw ogen en de glans op je mond
Was ik nu maar jong, dan nam ik jou in mijn armen
Kuste ik de sproeten op jouw wangen, ergens samen op een boot
Meisje van op de boot, ze spookt weer door mijn hoofd.


Blues in Weemoed

Ik ben op zoek naar woorden
op een pleedeur die klemt
Vlug maar weer naar binnen
dit rondje is van men

En ik voel me week van binnen
het is alsof iedereen mij kent
Zal ik er ooit nog komen,
of zou ik er al zijn?


En hee daar is Ties,
Ties die is nog jong
Zal de nacht karakter brengen aan de blues die hij verzon
En zijn pad is niet verlicht en al krijgt hij steeds meer zicht,
Zal hij ooit echt wennen aan het donker

De nacht die is op dreef
Hee lacht dat meisje nou naar mij?
Ik heb me al een duizend keer vergist
ach er kan er nog wel eentje bij

De voorlaatste is aangebroken
Ach de nacht die is nog niet zo slecht
Ik graai wat naar mijn laatste kleingeld,
want de blues die ik ooit verzonnen heb die voelt echt.


Welkom in mijn leegte

Welkom in mijn leegte
welkom in mijn hart
We gaan van alles beleven, ja
Welkom in mijn hart

En de zon zal op ons schijnen,
laten we doen alsof in de stad
We zullen de tijd eens mores leren
met ons borst en ons koppen zat

Ja, welkom mijn liefste
in het door god vergeten iets
en het nu waarop wij teren
op morgen nooit en gisteren niets
Ja, welkom in mijn leegte
Ja, welkom in mijn hart

En we gaan heus niet trouwen,
waarschijnlijk vergeet ik keer op keer
je verjaardag te onthouden
en waarom deed jouw hart ook weer zo’n zeer?

Toch krul ik jou in mijn armen
Passievol kus ik jouw nek
Vannacht dat is de onze
ook de leegte kent zijn plek

Welkom in mijn leegte
welkom in mijn hart
We gaan van alles beleven, ja
Welkom in mijn hart
Maar vannacht dat is de onze.


Kruispunt
Kom laten we buiten spelen, ik heb een nieuwe bal
Heb jij krijt dan teken ik een goal voor jou
Er ligt geel zand bij het klooster,
Ik zal springen zo ver ik kan,
Ik vind het niet erg om te vallen, al ben ik soms wel bang

want morgen is het over,
niemand die dan nog weet,
hoe ik zat te wachten
op het echt en op betekenis

Ja, we spelen de videoclip na, ik op bed,
jij loopt voorbij, en ik zing vanaf de rand
̒I'm not waiting on a lady
I'm just waiting on a friend̓̓’
en de puberhormonen klopte, ze vertroebelden ons beeld,
met het bier in ons harses,
verzonnen wij ons plezier
want morgen is het over, niemand die dan nog weet,
hoe gij zat te wachten op het echt en op betekenis

en zweef door de lucht als het staan
niet meer gaat
zweef in de vlucht als het echt niet anders kan
zweef in de lucht maar kom terug
Toen pakten we ons gitaren, speelden the house of the rising sun
Of we deden wie de bal het langst hoog houden kon
waarmee gij meestal won, waarmee gij meestal won
Wat vriendinnen achter ons, wat leven en wat dood
maar we laten ons niet kisten nee we houden ons groot

Want morgen is het over,
Niemand die dan nog weet,
Hoe wij zaten te wachten
op het echt en op betekenis


Ja, we zijn de buitenbeentjes, voor wie niet beter weet,
ja, wij zijn de halvegaren, maar ze kunnen niet om ons heen
we hebben samen gelachen, we hebben samen gegriend
ik zal niet voor altijd blijven wachten op een vrouw,
maar ik zal voor altijd blijven wachten, op een vriend

En zweef door de lucht als het staan
niet meer gaat
Zweef in de vlucht als het echt niet anders kan
Zweef in de lucht maar kom terug.


Tibetaanse kroegtijgers van de klankschaaltherapie

Een drummer zonder armen speelt de blue suede shoes̓
Getatoeëerde wijven draaien hun konten zonder pardoes
De nachten spannen samen hun mysteries om ons heen
Het is die hele halve waarheid die maakt dat ik voel dat ik leef

Er roest weer euforie door mijn simpel meesterbrein
Ik ga er nooit mee kappen het is de reden van mijn zijn
De dood ga ik ontspringen op mij staat er geen tijd
En mijn dorst ga ik blussen met bier en/of wijn

Dr Absinth is mijn diesel, dionysisch mijn vertier
Ik klop op eigen schouders ̒̒dank u vriendelijk mijnheer̓̓
Het maanlicht schijnt door gaten die gekapseld in mijn ziel,
het verloren geheugen vullen met alles wat je maar wil


Dus vul de klankschalen met bier laten we klinken
De toon is weer gezet dus laten we drinken
De Klankkleur de melodie, het is één en al parodie
We zijn de Tibetaanse kroegtijgers van de klankschaal-
therapie

We zijn de jagers van het Hof van ‘s avonds laat tot
‘s morgenvroeg
We jagen op de wijven voluptueus en nooit genoeg
We klinken onze schalen die boventoon klinkt zo mooi
Mijn trouw aan de verleiding is mijn enige octrooi

Wat is het tegen-alternatief van ik zie u graag en ik heb u lief
Dus vul de klankschalen met bier, het is één en al parodie
Dus vul de klankschalen met bier laten we klinken
De toon is weer gezet dus laten we drinken
de Klankkleur de melodie, het is één en al parodie
We zijn de Tibetaanse kroegtijgers van de klankschaaltherapie.


Sprankje hoop

Hier zit ik weer
Alleen op de bank
Drieënveertig jaar en rottend in de stank voor dank

Ik heb geen stuiver niet meer
Mijn harses doen weer barstens zeer
Mijn laatste geld ging weer op aan de drank

De pieken zijn weer gedaald
Het bleek weer koper geen goud
De brand in hel - het voelt zo vertrouwd

Het kaartenhuis is weer ingestort
Schoppen aas ligt op mijn borst
Help me dan voor ik verander in stof

Toost me dan, troost me dan voor niets
Toost me dan, troost me dan voor niets
en lieg dat je me graag ziet

Zo zijn de dagen kort, de nachten lang. Ik zit hier maar en ik wacht te lang. Waar ik vandaag de dag weer hang, is niet van belang. Het leven komt met gevoel, gevoel komt met de drank. Dus ik kom van mijn bank, en ik fiets naar de stad en word weer zat, want ik was toch al op gang. En dan zeggen mensen snel: Je bent alcoholist. Maar nee, dit is mijn levensstijl. Ik ben niet verslaafd, maar zuip het dagelijks wel. Gedachtes ratelen in mijn kop, die kratten op de plaats stapelen maar op. Echt waar, waar slaat het op. Soms loop ik zo zat door de stad rond, gedraag me lomp. Wachten tot de klap komt, met mijn grote mond. Ik weet ook vaak, niet hoe de avond begon. Op het einde naar de shoarmatent voor een kapsalon. Vette hap en toch gezond. Vol goede moed loop ik naar huis, alleen. Kom ik weer thuis, alleen. Want door dit zuipen blijf ik juist alleen.

Weer een andere dag verpand voor de nacht,
met het schuim tot aan de strot ga ik kapot

Alles wat ik had verwacht is ontzenuwd ontkracht
Deel mijn lakens uit en houd voor mij de wacht

Het is een vorm van dood, een hoop roestend schroot
stap voor stap met schoenen van lood

Ach, tap me dan nog maar een sprankje hoop
Tap me dan nog maar een sprankje hoop


Schone schijn

Had ik maar gezegd wat ik voor je voelde
Had ik maar gezegd: ̒̒Ik hou van jou̓̓
Alles lijkt wel in de tijd verloren
anders waren we misschien wel samen oud

Ik zie ons nog lopen door die paden
We kusten elkaar onder die oude eik
Met schaamte blusten we ons vurige lijven
De juiste plek, de verkeerde tijd

Soms ga ik wel eens kijken
Je streelt dan zachtjes mijn lachend gezicht
Ik zou daar dan voor altijd willen blijven,
wachtend op een tijd met ander licht

Ach, het doet zo'n pijn
en ik wilde zo graag zijn
Maar ik verzoop in schone schijn

Het touw viel uit mijn eigen handen
Ik keek jou na op het station
Ik zag nog nooit zo'n mooie jongen
Ik zag nog nooit zoiets wat niet kon

Gisteren ben ik weer gaan kijken
naar die eeuwenoude eik
Op zijn wortels ben ik toen gaan rusten
in de schaduw van de schone schijn

ach het doet zo'n pijn
en ik wilde alleen maar zijn
maar ik verzoop in schone schijn­­­­­­­.
Schone schijn


Brief aan mijn Broer

Heb je soms ook heimwee
Naar onze ouwe straat
Met die grote treurwilg
En de auto’s van ons Pa
De geur van de zolder
Bob Dylan de Rolling Stones
Voetbal, met zijn allen op het schoolplein
Buske trap, wie moet hum zijn
Ref
Bij de vlinderstruik zit een dagpauwoog
Vlug want morgen is hij dood
Overal klonk er muziek
Sommige dingen veranderen niet
Heb je soms ook zo’n honger
Naar wat er komen gaat
Want waar jou kinderen nu spelen
Dat is straks hun ouwe straat


Mooie dag

De wolken breken open en de kraaien dalen neer
Hun vleugels worden handen en ze brullen als een beer
En de paarden eten couscous en ze zingen nog een lied
Eentje heeft er tieten en slaat daarmee de boeken dicht

Ik spring zo’n veertig meter, maar niemand mag het zien
Ik ben al daar ik ben al waar en ik lig weer onder
bovendien
De flat die staat in hens de mensen dansen van paniek
Okapi’s in galop zingen ̒Altijd is Kortjakje ziek̓

Het is een mooie dag, een mooie dag
een mooie, mooie dag
een mooie dag, een mooie dag, een mooie, mooie dag
‘Dag mevrouw en dag mijnheer!’

Mijn voeten landen op de stoep, er vallen bommen uit
mijn zool
Een vloedgolf van chicken wings en nijlpaarden in het riool
Het perspectief speelt tikkertje met de wanen uit mijn
hoofd
Mijn geknipte kalknagels vallen; alle bamboeratten dood

Een trein die raast voorbij het spoor knalt uit elkaar en
fragmenteert
Een hondje kwispelt listig terwijl het lichaamsdelen
apporteert
Boze boeven vangen met een knuppelgordeldier
Ik steek de draak nog met draken en de draken lusten
bier

Ik streel mijn hoofd oneindig lang de pijlen dik als
schipperstouw
Mijn hart klopt op de deur van een bloedgeil en beeldschone
vrouw
Ik klim van haar tot haar tot aan haar kut en kruip dan
binnen in
De vleermuizen spugen slijmend vuur deel mij maar bij de
onzin in, deel mij maar bij de onzin in, deel mij maar bij de onzin in


Het is een mooie dag, een mooie dag
een mooie, mooie dag
een mooie dag, een mooie dag, een mooie mooie dag
‘Dag mevrouw en dag mijnheer!’


Kleine zwarte dood

Dag Lucifer, dag Duivel, ik twijfel over jouw bestaan,
maar als het toch zo is, steek dan de kachel alvast maar aan,
Mijn zondes zijn dynamisch triomfantelijk en kogelvrij
Dus stuur je beste onderdaan en stuur ze maar naar mij
Waardig zal ik haar ontvangen in waardevol verloren tijd
Nee, mij zullen ze niet krijgen mij raken ze hier niet kwijt
Laat je oven maar goed branden, stook hem hard en lavaheet
Verbrand dan al mijn waardigheid, zodat ik badend in het zweet
Kan kotsen op het burgerlijk kan schijten op fatsoen
Laat het fosfor in mij maar branden, ik zou het zo weer doen
Mijn ballen vol met kanker sleep ik trots door kool en vuur
Ik bijt me vast in het bedorven vlees en drink salpeterzuur
Te sterk om te leven is te zwak om dood te gaan
Met de lucht zo dik als teer pis ik op een dode zwarte zwaan

Kom mij dan maar halen, maar kom maar niet alleen
Want ik zal je vermurwen van opperhuid tot mergbeen
Ik heb niets te winnen dan jouw zogenaamd aards genot
Ach ik heb jou wel in de smiezen jij misselijk hoofdengeltje van god
Jouw hartentroef dat ben ik zelf en mijn geloof in jou
Je tweede optie is venijn in de vorm van de vrouw
Je had me bijna tuk stuk verdriet, jij lamme tak
Jij smerig laf stuk vreten zelfvoldane kamelenzak
De messen en de dolken van mijn vrienden trek ik
waardig uit mijn rug
Mijn bloed vloeit in de modder geel en zwart van de pus

Ik tart het lot, ik tart het lot, ik tart het lot och menne god oh god
Ik tart het lot ik tart het lot tot tot het vlees van mijn bot afrot
Ik tart het lot, ik tart het lot, ik tart het lot och menne oh god
Ik tart het lot ik tart het lot tot tot het vlees van mijn bot afrot

Ach, geef je toch gewonnen, ontmoet je meerdere en hier ben ik dan
Ze zwermen met hun kluitjes door het riet en het riet dat staat in brand
Voor de laatste echter betuig ik mijn respect de crème de la crème uit de hel
Een draak van een wijf spuugde mij haar vuur op mijn gewillig klokkenspel
Haar haren zwart als bitak haar lippen brandde rood
Haar tong die was gespleten, ja, het was de kleine zwarte dood,
de kleine zwarte dood, de kleine zwarte dood

Mijn roestvrij stalen hart erodeerde en werd zwak
Mijn hellebaard die zwaaide, ik zwaaide tot hij brak
Met mijn knieën tot in de modder mijn gezicht vol bloed en pus
Bezocht ik haar heksenkamer als een ware incubus
Dus droom nu maar lekker zwijmel fijn en slaap maar zacht
Doe je ogen dicht en je snavel toe en misschien wel tot vannacht
De aarde draait zich om in zijn toekomstige graf
De kraaien zwart als raven vliegen op en vliegen af
Mijn hart is leeg de maan is vol, en de avond die kleurt rood
En ik bedreef de liefde met de kleine zwarte dood, met de kleine zwarte dood
Met de kleine zwarte dood

Ik tart het lot, ik tart het lot, ik tart het lot och menne god oh god
Ik tart het lot ik tart het lot tot tot het vlees van mijn bot afrot
Ik tart het lot, ik tart het lot, ik tart het lot och menne oh god
Ik tart het lot ik tart het lot tot tot het vlees van mijn bot afrot.


Knarsend grind

Altijd hard gewerkt, aan alles komt een eind
voor de laatste keer legt hij zijn sleutels neer
Hij was de koning van de weg, geen brug was hem te ver
Zijn vrouw zo vaak gemist, zijn tijd zo vaak verkwist

Zij keek uit het raam, hoe vaak had ze daar al niet gestaan
Kijkend waar hij bleef, met haar hand op haar wang

En het grind knarsend onder zijn banden
Zij huilde van geluk, het leven kon niet meer stuk
En hij zei zachtjes in haar oor: ‘Schat, ik hou van jou, zoveel van jou’

Ze kwam uit haar bed, de tafel was al gedekt
Het is toen dat hij haar heeft beloofd dat hij voortaan
altijd voor haar kookt

Het was tijdens zijn eerste les, zijn rapen nog lang niet gaar
hij ging toen kruiden halen en wat uien voor bij het gehakt
hij struikelde en viel van die steile keldertrap

Zij keek uit het raam, hoe vaak had ze daar al niet gestaan
Kijkend waar hij bleef, met haar hand op haar wang

Nu legde ze haar oor op het raam het voelde kil
Ze luisterde goed maar het grind bleef stil.