Altijd hard gewerkt, aan alles komt een eind
voor de laatste keer legt hij zijn sleutels neer
Hij was de koning van de weg, geen brug was hem te ver
Zijn vrouw zo vaak gemist, zijn tijd zo vaak verkwist

Zij keek uit het raam, hoe vaak had ze daar al niet gestaan
Kijkend waar hij bleef, met haar hand op haar wang

En het grind knarsend onder zijn banden
Zij huilde van geluk, het leven kon niet meer stuk
En hij zei zachtjes in haar oor: ‘Schat, ik hou van jou, zoveel van jou’

Ze kwam uit haar bed, de tafel was al gedekt
Het is toen dat hij haar heeft beloofd dat hij voortaan 
altijd voor haar kookt

Het was tijdens zijn eerste les, zijn rapen nog lang niet gaar
hij ging toen kruiden halen en wat uien voor bij het gehakt
hij struikelde en viel van die steile keldertrap

Zij keek uit het raam, hoe vaak had ze daar al niet gestaan
Kijkend waar hij bleef, met haar hand op haar wang

Nu legde ze haar oor op het raam het voelde kil
Ze luisterde goed maar het grind bleef stil.